Een aardige vrouw die het niet mee heeft gezeten in het leven. Zo zou je Maria van Pallaes kunnen omschrijven. Sinds vandaag heeft ze haar eigen console aan de Nieuwegracht, vlak bij de kameren die ze stichtte.

Maria van PallaesWe schrijven 1651. Maria van Pallaes, telg uit een voornaam patriciërsgeslacht, is dan al een hoop kwijtgeraakt. Vijf van haar zes kinderen zijn overleden. Ook haar man is dood. Maar geld heeft ze nog wel. Aan haar enige nog levende kind kan ze dat niet kwijt. Zij zit in een klooster en mag geen eigen bezit hebben. Daarom besluit Maria haar fortuin in de bouw van armenwoningen te steken. Geen ongebruikelijke stap, want rijke lieden stichtten in deze tijd wel vaker zulke ‘kameren’. Dat zijn eenvoudige huisjes, niet groter dan een kamer, bedoeld voor de minderbedeelden. Die waren daarmee letterlijk ‘onder de (dak)pannen’.

Kameren Maria van PallaesMaria koopt een stuk grond aan de Agnietenstraat. Niet de populairste plek, zo pal langs de metershoge stadsmuur en ‘ver’ van het centrum. Op zulke plekken worden vaker armenwoningen gesticht, want om arme sloebers nu op de mooiste locaties van de stad te huisvesten…, dat was natuurlijk weer het andere uiterste. Ook aan de Agnietenstraat verrijzen twaalf woninkjes. Maria heeft daarbij zo haar eigen doelgroep voor ogen. Haar kameren zijn bestemd voor echtparen. Overlijdt een van de twee, dan moet de overgebleven partner gaan samenwonen met iemand van hetzelfde geslacht. Wil die dat niet, of hertrouwt de achtergebleven partner, dan komt hij/zij op straat te staan. Liefdadigheid kende zijn grenzen!

AgnietenstraatDe kameren bestaan nog steeds en worden door het Utrechtse Monumentenfonds onderhouden. Verder zijn er met het vermogen dat Maria naliet later nog 28 andere huisjes gebouwd. Maria is dus een van de weldoeners die veel voor de stad heeft betekend. Dat deden zulke weldoeners niet alleen maar uit nobele motieven trouwens. Door geld te steken in armenwoningen, en deze armen meteen ook te voorzien van voedsel en brandstof, hoopten ze potentiële oproerkraaiers de wind uit de zeilen te nemen. Ook dachten ze hiermee bedelarij, dronkenschap, prostitutie en de verspreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen. Maar vooral hoopten ze op deze manier een mooi plekje in de hemel te reserveren.

Maria van Pallaes gevelsteenOok Maria was het hierom te doen. Dat is te lezen op de gevelsteen boven de blauwe deur, op de hoek van de Agnietenstraat en de Nieuwegracht. Deze deur gaf vroeger toegang tot de eetzaal. En boven die deur staat dus geschreven wat Maria met haar woninkjes beoogde: ‘Niet achtend swerels gonst, maer Plaets in chemels Pleyn.’

(Meer heim-weetjes lezen? Kijk dan hier, of abonneer je met deze RSS-Feed!)