Wat een mooie uitdrukking is dat toch, ‘op zijn elf-en-dertigst’. Ik weet nog dat ik hem als kind voor het eerst hoorde, en niet begreep hoe volwassenen zo stom konden zijn. Elf en dertig was toch gewoon eenenveertig? Waarom zeiden ze dat dan niet?

Omdat elf-en-dertig te maken heeft met onze Friese voorouders. En met het poldermodel dat ons zo in de genen zit. In de 19e eeuw werd namelijk het onderscheid tussen stadsrecht en landrecht afgeschaft. Het was de tijd van Thorbecke, van emancipatie, van vooruitgang. Stadsrechten, die stadsbewoners allerlei privileges verschaften, werden opeens ouderwets gevonden. Alle burgers moesten gelijke rechten hebben!

Dat betekende dat alle steden en dorpen bij belangrijke besluiten gehoord moesten worden. Zeker in Friesland, dat elf steden en dertig zogenaamde ‘grietenijen’ kende, had dat nogal wat voeten in aarde. Voordat je daar een beslissing kon nemen, moest je eerst overleggen met de vertegenwoordigers van al die elf-en-dertig plaatsen. Dat duurde natuurlijk eindeloos.

Er zijn ook mensen die denken dat elf-en-dertig een oude weefterm is. De elf-en-dertig zou volgens hen een kam zijn waarmee je heel fijn textiel kon weven, met eenenveertig sporen tegelijk. Het was een precisiewerkje dat een hoop tijd in beslag nam. Waarom zo’n kam dan niet gewoon de ‘eenenveertig’  werd genoemd, dat vertelt dit verhaal niet. De Friese verklaring lijkt mij daarom eerlijk gezegd aannemelijker. Jullie ook? Of moeten we daar soms even over stemmen?

(Meer heim-weetjes lezen? Kijk dan hier, of abonneer je met deze RSS-Feed!)